Download Integral DUTCH language COURSE PDF

TitleIntegral DUTCH language COURSE
LanguageEnglish
File Size364.3 KB
Total Pages50
Table of Contents
                            Integral Dutch Course
	Chapter I
		Pronunciation
			Vowel sounds
			Consonants
	Chapter II
	Chapter III
	Chapter IV
	Chapter V
	Chapter VI
	Chapter VII
	Chapter VIII
	Chapter IX
	Chapter X
		Progressive Form
	Chapter XI
	Chapter XII
                        
Document Text Contents
Page 1

HTML-version by Ger Koole




INTEGRAL DUTCH COURSE Page 1 of 50











Integral

Dutch
Course

HTML-version by Ger Koole

mailto:[email protected]

Page 2

HTML-version by Ger Koole




INTEGRAL DUTCH COURSE Page 2 of 50

Chapter I

Pronunciation

The rules for the pronunciation of Dutch are very consistent and easy to learn. Pronunciation is a
distinctive and therefore essential component of a language. It is in the interest of the student's
progress that the following character- istic sounds of Dutch be learned thoroughly. For
pronunciation, more than any other element of the language, the rule that practice makes perfect
holds true. The following sounds are different or unknown in English but quite common in Dutch.

Vowel sounds

1. a- (short a-: between `duck' and `dock'. The a- is found in words such as pak(parcel, suit), and
plat(flat).

Exercise 1. Practice the a-sound in the following words by reading them aloud: plat, kranten, dag,
zakken, pak, vast, wal, klap, ratten, gat.

2. aa- (long a-: not found in English at all. It is produced by shaping the mouth for the vowel-sound
in the English words `by', `why', etc. but opening the mouth much wider). It is found in Dutch
words such as: kaas(cheese) and gaan(to go) and also in open syllables, i.e. in syllables ending on a
vowel, as in maken(to make) and praten(to talk).

Exercise 2. Read the following words aloud: kraal, ramen, aap, daar, platen, vaak, kaal, bazen, ja,
amen.

Note i: There is en essential difference in meaning between such words as plat(flat) and
plaat(picture, record), mak (tame) and maak(to make), etc. This difference is determined by the
difference between the short and the long a-sounds. It is therefore very important to distinguish
clearly between these sounds. Mispronunciation may, in may cases, lead to serious
misunderstandings. Here are a few more examples: tak is `branch' in English, but taak means `task';
man has the same meaning as `man' in English but maan means `moon'.

Note ii: The plural of `tak'(branch) is `takken'(branches); this means that the consonant has to be
doubled, otherwise we get `taken'(tasks), the plural of `taak'(tasks). This doubling of consonants
after short vowel sounds constitutes a rule which applies to most words spelled like tak-takken, for
example to lap-lappen(rag-rags) and zak-zakken(bag-bags).

Note iii: The a- sound in `tak-takken,' etc. is `short' because they are single and followed, in the
same syllable, by a consonant (t, s, k, n, etc.). The plural in Dutch is generally formed by adding -en
as in the examples above.

If the last syllable of a word is not stretched, the plural is often formed by adding an -s, as in
English: thus the plural of `tafel' (table) is tafels. The plural of raam (window) is ramen(windows).
The last word consists of two syllables: ra- and -men. The second a- is dropped because the a- is the
last letter of the syllable. If the last letter of a syllable is a vowel, we say that that syllable is open:
ra- is thus an open syllable and the single a- is pronounced like an aa- (the long aa-). There are, in
other words two ways in which a long vowel sound can be formed: by doubling the vowel
concerned, eg., aa- as in kaas or having it at the end of a syllable, as in ramen.

Page 25

HTML-version by Ger Koole




INTEGRAL DUTCH COURSE Page 25 of 50

14. De baby lachte (lachen - to laugh). Hij zag zijn moeder.

15. Ik zal het weer uitleggen. Jij begrijpt het goed.

16. Wij kunnen (can) vertrekken (to leave). Jij bent klaar (ready). 17. Je kan (can) het krijgen (to
get). Jij betaalt genoeg.

100 lenen. Je hebt niet genoeg geld.

19. Je moet (must) je kamer opruimen (to tidy). Je gaat uit.

20. Ik zal je opbellen (to call). Ik heb tijd.

Exercise 50. Join the following sentences beginning first with the main clause, then with the
dependent clause, if possible.

1. Moeder is moe. Ze heeft hard gewerkt vandaag. (want) 2. Ik versta (to understand) je niet. Je
praat zo snel. (als) 3. Ik was mijn handen. Wij gaan eten. (voordat) 4. Wim gaat vandaag niet naar
school. Het is zaterdag. (aangezien) 5. Vader leest de krant. Moeder kijkt naar de TV. (en) 6. Ik ga
naar school. Ik ben een beetje ziek. (hoewel) 7. Ronald zegt (het). Het is koud. (dat) 8. Wij luisteren
goed naar u. Wij begrijpen u niet. (maar) 9. Henk vraagt (het). Ze eten om zes uur. (of) 10. Moeder
antwoordt. Ze eten pas om half zeven. (dat)

Nieuwe woorden:

spreken - to speak weten - to know corresponderen - to correspond moeilijk (vinden) - (to find) hard
leren - to learn, teach, study heten - to be called moeten - must, to have to het druk hebben - to be
busy

de auto - the car de brief - the letter de naam - the name mensen - people

getrouwd - married misschien - perhaps, maybe soms - sometimes helemaal (niet) - altogether, (not)
at all natuurlijk - naturally, of course af en toe - now and then echt - real(ly) te - too prachtig -
beautiful dus - thus, therefore, so

Hoe heet je? etc. - What is your name? Ik denk het. - I think so.

nog niet - not yet niet meer - not any more, no longer waarschijnlijk - probably

Amerika - America De Verenigde Staten - The United States

de broer - brother de zus(ter) - sister de neef - cousin (male), nephew de nicht - cousin (female),
niece de oom - uncle de tante - aunt de schoonzuster - sister in law de zwager - brother in law
grootouders - grandparents de taal - the language de voorwaarde - condition

iemand - somebody niemand - nobody welk(e) - which

Note: `Ze' is often used in the object form in Dutch, so the literal translation of `them' is both `hen'
and `ze':

Page 26

HTML-version by Ger Koole




INTEGRAL DUTCH COURSE Page 26 of 50

`I see them' is indeed normally translated as `Ik zie ze'. `Ze' would ususally be the less emphasized
form; `hen' being the more emphasized form eg. in a comparison: Praat je met ons of met hen?

EEN BRIEF UIT AM ERIKA

Moeder: Wist je dat je een oom in Amerika hebt? Henk : Nee, dat wist ik helemaal niet. Moeder: Ja,
ik heb een broer in Amerika, jouw oom dus.

1952 naar Noord-Amerika geemigreerd toen veel mensen geemigreerd zijn. Eerst heeft hij in
Canada gewoond, maar nu woont hij in Michigan, in de Verenigde Staten. Hij heet Cor. Henk : Is
hij getrouwd? Moeder: Ja, hij is getrouwd met een Amerikaanse vrouw. Henk : Hebben ze
kinderen? Moeder: Ja, twee, een jongen en een meisje. Henk : Hoe heten ze en hoe oud zijn ze?

16. Het meisje heet Jan; zij is veertien. Hun moeder heet Jane. Henk : Jan? Dat is een jongensnaam!
Moeder: Nee, in Nederland wel, maar in Amerika niet. Henk : Spreken ze Nederlands? Moeder:
Oom Cor natuurlijk wel, maar de kinderen waarschijn- lijk niet veel. Jullie moeten ze Nederlands
leren zodra ze hier zijn. Zijn vrouw verstaat wel een beetje Nederlands. Thuis spreken ze natuurlijk
alleen Engels aangezien ze in Amerika wonen. Henk : Correspondeert u met ze? Moeder: Ja, af en
toe. Ik heb vandaag een brief van ze gehad. Henk : En wat schrijven ze? Moeder: Mijn broer schrijft
dat ze in de zomer naar Nederland komen tenzij hij het te druk heeft. Henk : Echt?! Dat is
interessant!

Exercise 51. Vertaal de bovenstaande dialoog in het Engels.

Exercise 52. Beantwoord de volgende vragen:

1. Wie heeft een broer in Amerika? 2. Wist Henk dat? 3. Wanneer is Cor naar Amerika gegaan? 4.
Waar heeft hij eerst gewoond? 5. Heeft Cor een vrouw? 6. Hoe heet Henks tante? 7. Hoe heet
Henks nichtje? 8. Hoe oud zijn de kinderen van oom Cor en tante Jane? 9. Is Jan een jongensnaam?
10. Spreken de kinderen van oom Cor Nederlands? 11. Verstaat Jane Nederlands? 12. Welke taal
spreken ze thuis in Amerika? 13. Wat schrijft moeders familie? 14. Wat is de voorwaarde? 15. Hoe
vindt Henk het dat ze komen?

1. Heb je familie in Nederland? 2. Hebben jullie familie in Canada? 3. Hoeveel neefs en nichten heb
je? 4. Hoe heet je oudste neef? 5. Waar woont je oudste nicht? 6. Is je oudste nicht getrouwd? 7.
Werkt je oudste neef? 8. Ben je al in Europa geweest? 9. Leven je grootouders nog? 10. Spreek je
een andere taal? 11. Heb jij altijd in Amerika gewoond? 12. Correspondeer je met iemand in
Europa? 13. In welke taal schrijf je dan? 14. Schrijf je in het Nederlands? 15. Schrijf je ook in een
andere taal?

Page 49

HTML-version by Ger Koole




INTEGRAL DUTCH COURSE Page 49 of 50

Active : They export these flowers five times a week. Ze voeren deze bloemen vijf keer per week
uit.

Passive: The flowers are exported five times a week. De bloemen worden vijf keer per week
uitgevoerd.

The `by'-phrase: Sometimes it is important to mention the agent, the performer of the action, the
real subject of the sentence.

The Dutch equivalent of the English `by', in this context, is `door' (not bij!)

Example: The flowers are exported by the grower. (De bloemen worden door de kweker
geexporteerd.)

The book is written by a well-known author. (Het boek wordt door een bekende schrijver
geschreven.)

Exercise 88. Rewrite the following sentences in the Passive Voice. (in English)

1. The students learn all the new words. 2. In The Netherlands they make good cheese. 3. They
pump the water out of the polders. 4. The men repair the roads. 5. In Eindhoven they make the best
TV's in the world. 6. You must translate this sentence. 7. The Dutch grow beautiful flowers. (to
grow - kweken) 8. They send them to New York by plane. 9. In the stores they sell them the same
morning. 10. Everybody admires this product.

Exercise 89. Vertaal de bovenstaande zinnen in het Nederlands.

[repair - repareren; road - weg; roads - wegen; the world - de wereld; to grow (flowers) - (bloemen)
kweken; beautiful - prach- tig; by (plane) - per (vliegtuig); to sell - verkopen; the morn- ing - de
morgen; product - (het) produkt; everybody - iedereen; to admire - bewonderen.

Exercise 90. Translate the passive sentences into Dutch.

Adjectives formed from verbs: In order to change a verb into an adjective, -ing is added to the verb
in English, eg.: `to fly' - a flying object; `to read` - a reading person. The equivalent of `-ing' in
Dutch is `-d(e)' which is added to the infinitive: vliegen(to fly) - een vliegend voorwerp(object);
`lezen' - een lezende persoon.

Nieuwe woorden:

de correspondent - the correspondent, agent het vaderland - the fatherland het moederland - the
motherland het bedrijf - the company het fruit - the fruit het produkt - the product het zuivelprodukt
- the dairy product de industrie - the industry de vertegenwoordiger - the representative de boter -
the butter de kaas - the cheese het ei - the egg de fabriek - the factory het apparaat - the apparatus de
expositie - the exposition de schotel - the saucer de communicatie - the communication

uitvoeren - to export exporteren - to export vliegen - to fly zaken doen - to do business

namelijk - namely al - already elektronisch - electronical(ly) huishoudelijk - domestic

aller(nieuwste) - very (newest) tevreden - satisfied, happy

Page 50

HTML-version by Ger Koole




INTEGRAL DUTCH COURSE Page 50 of 50

MANNE NPRAAT

Cor : Hoe lang heb je nog vakantie? Vader : Nog twee weken. Cor : Ben je tevreden met je nieuwe
baan? Vader : O ja, zeer tevreden. Cor : Krijg je dan veel meer geld? Vader : Nee, helemaal niet
veel, maar het werk is wel veel inte- ressanter. Cor : Is het veel anders dan je vorige baan? Vader :
Ja. Ik moet nu veel reizen en dat vind ik erg prettig. Cor : Kom je ook een keer naar Amerika?
Vader : Ik denk het wel; misschien over een paar maanden al. Cor : En komen Gerda en de kinderen
dan ook? Vader : Gerda wel, maar de kinderen waarschijnlijk niet - die moeten naar school. Ik blijf
misschien wel een maand. Ik moet namelijk naar New York, naar Colorado en naar Californie. Cor
: Dat is leuk. Wat kom je eigenlijk doen? Vader : Je weet natuurlijk dat Nederland veel
industrieprodukten uitvoert, ook naar Amerika. Ik moet zaken doen met onze correspondenten in
jouw nieuwe vaderland. Cor : Wat wordt allemaal naar Amerika uitgevoerd? Vader : Bedoel je door
Nederland of door ons bedrijf? Cor : Ik bedoel eigenlijk door jullie bedrijf maar ik wil ook wel
graag weten wat allemaal door mijn oude vaderland - of is het moederland? - uitgevoerd wordt.
Vader : Wij exporteren alleen groente en fruit en zuivelproduk- ten, maar Nederland voert
natuurlijk ook veel industrie- produkten uit. Ik ben vertegenwoordiger voor de zuivel- produkten
zoals boter, kaas en eieren. Cor : Wat voor industrieprodukten voert Nederland uit? Vader : Ben jij
al in Eindhoven geweest? Cor : Vroeger wel, maar waarom vraag je dat? Vader : Je weet misschien
dat daar een van de grootste fabrieken in de wereld staat waar elektronische apparaten gemaakt
worden. Cor : Ik wist wel dat daar een grote fabriek was maar niet dat het een van de grootste in de
wereld was. Vader : Ja, dat is zo. Cor : Kan je die fabriek ook bezoeken? Vader : Waarschijnlijk
wel, maar ik weet dat ze een permanente expositie hebben die dagelijks door honderden mensen
bezocht wordt. Het gebouw lijkt op een heel grote vliegende schotel en het heet `Evoluon'; ik ben er
al een paar keer geweest. Cor : Dat wil ik ook graag zien. Vader : We kunnen morgen gaan, als je
wilt. Dan kunnen we de allernieuwste communicatie- en huishoudelijke elektro- nische apparaten
zien die in de wereld gemaakt worden.

Exercise 91. Vertaal de bovenstaande tekst in het Engels.

Exercise 92. Beantwoord de volgende vragen:

1. Hoe vindt Vader zijn nieuwe baan? 2. Doet hij hetzelfde werk als in zijn vorige baan? 3. Wat
moet hij nu veel doen? 4. Moet hij misschien een keer naar Amerika? 5. Welke staten van Amerika
moet hij bezoeken? 6. Wie gaat met hem mee? 7. Welke produkten worden door Nederland
uitgevoerd? 8. Wat wordt door Vaders bedrijf geexporteerd? 9. Wat voor produkt is kaas? 10. Wat
staat er in Eindhoven? 11. Wat wordt daar gemaakt? 12. Hoe groot is de fabriek die in Eindhoven
staat? 13. Door hoeveel mensen wordt het Evoluon bezocht? 14. Wanneer gaan de mannen
misschien naar Eindhoven? 15. Wat kunnen ze daar zien?

1. Hoe vind jij reizen? 2. Hoeveel staten van Amerika heb je al bezocht? 3. Wat is jouw vaderland?
4. Welke produkten worden door de Verenigde Staten uitgevoerd? 5. Welke produkten exporteert
Canada? 6. Exporteert Amerika ook fruit? 7. Worden er zuivelprodukten uitgevoerd door Amerika?
8. Heb je het Evoluon al gezien? 9. Welke elektronische apparaten gebruik je thuis? 10. Waar
worden ze gemaakt?

Source: HTML-version by Ger Koole - http://www.sr.net/srnet/InfoSurinam/dutch.html

mailto:[email protected]
http://www.sr.net/srnet/InfoSurinam/dutch.html

Similer Documents